Slapend dienstverband: vakantieopbouw stopt mogelijk niet na 104 weken ziekte
Eerder dit jaar legde de kantonrechter in Rotterdam een belangrijke prejudiciële vraag voor aan de Hoge Raad: bouwt een werknemer tijdens een slapend dienstverband nog wettelijke vakantiedagen op tegen loonwaarde?
De aanleiding is de spanning tussen het Nederlandse en het Europese recht. Op grond van artikel 7:634 BW is de opbouw van wettelijke vakantiedagen gekoppeld aan het recht op loon. Na 104 weken arbeidsongeschiktheid eindigt de wettelijke loondoorbetalingsplicht doorgaans, waardoor volgens de letter van de wet ook de vakantieopbouw stopt.
De Advocaat-Generaal concludeert nu dat deze koppeling onvoldoende aansluit bij het Europese recht. Voor arbeidsongeschikte werknemers geldt volgens het Europese recht namelijk een uitzondering op het uitgangspunt dat vakantiedagen worden opgebouwd over daadwerkelijk gewerkte tijd. Het ontbreken van een loonaanspraak mag er daarom niet aan in de weg staan dat een arbeidsongeschikte werknemer wettelijke vakantiedagen blijft opbouwen. Ook mogen er geen voorwaarden worden gesteld aan het ontstaan van het recht op vakantie.
De conclusie van de Advocaat-Generaal is nog geen definitieve uitspraak, maar het signaal is duidelijk: het is niet langer vanzelfsprekend dat de vakantieopbouw na 104 weken ziekte stopt
Het laatste woord is nu aan de Hoge Raad. Volgt de Hoge Raad de conclusie van de Advocaat-Generaal dan kunnen werkgevers bij het einde van een slapend dienstverband geconfronteerd worden met een uitbetalingsverplichting voor tijdens de ‘slapende periode’ opgebouwde vakantiedagen.
Wordt vervolgd.. We houden je uiteraard op de hoogte.